Toen Donald Trump op 28 februari de oorlog, samen met Israël, tegen Iran begon, presenteerde hij die als een operatie die snel en beslissend zou worden afgerond. Amerika beschikt over een overweldigende militaire superioriteit en volgens Trump was het daarom vooral een kwestie van het toepassen van voldoende kracht om het Iraanse regime tot inkeer te brengen. Het nucleaire programma moest worden uitgeschakeld, de Iraanse militaire capaciteit moest worden vernietigd en de dreiging die volgens Washington al jaren van Teheran uitging, moest definitief worden weggenomen. Wat aanvankelijk werd voorgesteld als een oorlog die slechts enkele weken in beslag zou nemen, duurt nu al zes maanden.
Hoewel Iran militair zwaar is getroffen, bestaat het regime nog altijd, heeft het land zijn politieke en militaire structuren grotendeels weten te behouden en is er geen sprake van een Iraanse capitulatie. De oorlog is evenmin geëindigd. Het conflict heeft zich ontwikkeld tot een langdurige confrontatie waarin de Straat van Hormuz, de mondiale energiemarkt, Amerikaanse sancties en de vraag naar de toekomstige machtsverhoudingen in het Midden-Oosten minstens zo belangrijk zijn geworden als de oorspronkelijke militaire doelen.
Daarmee is een merkwaardige paradox ontstaan. Donald Trump heeft de afgelopen zes maanden herhaaldelijk verklaard dat Amerika de oorlog heeft gewonnen of dat de Iraanse dreiging definitief is uitgeschakeld. Een recente inventarisatie kwam zelfs uit op tientallen afzonderlijke overwinningsclaims, waarbij het aantal inmiddels boven de zestig ligt. Het precieze aantal is uiteindelijk minder interessant dan het patroon. Telkens wanneer de werkelijkheid niet overeenkwam met de verwachting waarmee de oorlog was begonnen, verschoof de betekenis van het woord overwinning.
Aanvankelijk betekende overwinning dat het Iraanse nucleaire programma werd vernietigd. Vervolgens werd het uitschakelen van Iraanse militaire leiders en capaciteiten het bewijs van succes. Daarna werd de controle over de Straat van Hormuz steeds belangrijker en inmiddels wordt ook de economische druk op Iran als onderdeel van de Amerikaanse overwinning gepresenteerd. Daarmee wordt een klassieke politieke strategie zichtbaar, namelijk wanneer het oorspronkelijke doel niet volledig wordt bereikt, wordt het doel achteraf opnieuw gedefinieerd zodat het resultaat alsnog als succes kan worden verkocht.
Dat betekent overigens niet dat Amerika niets heeft bereikt. De Amerikaanse en Israëlische aanvallen hebben Iran enorme schade toegebracht. De militaire infrastructuur is zwaar getroffen, belangrijke commandostructuren zijn ontwricht en het nucleaire programma heeft een ernstige klap gekregen. Iran is als regionale militaire macht verzwakt. Dat zijn reële resultaten en het zou analytisch onjuist zijn om die te bagatelliseren.
Maar militaire schade is iets anders dan een strategische overwinning. Daar ligt het belangrijkste probleem voor Trump. De Amerikaanse doelstelling was niet uitsluitend om Iran te bombarderen. De bedoeling was om de strategische dreiging vanuit Iran structureel weg te nemen en Teheran tot een fundamentele koerswijziging te dwingen. Daarvoor is meer nodig dan het vernietigen van militaire installaties. Uiteindelijk moet een tegenstander bereid zijn zijn gedrag te veranderen. En juist daar is het Amerikaanse succes veel minder duidelijk.
Iran is niet ingestort. Het regime heeft de oorlog overleefd en heeft zich, ondanks de zware verliezen, opnieuw georganiseerd. De economische situatie is dramatisch, de bevolking betaalt een hoge prijs en de militaire mogelijkheden zijn aanzienlijk kleiner geworden, maar de Iraanse staat is niet verdwenen en de politieke machtsstructuur is niet gebroken. Ook het nucleaire dossier is niet eenvoudig afgesloten. De vernietiging van installaties betekent niet automatisch dat alle kennis, expertise en mogelijkheden uit het land zijn verdwenen. Bovendien bestaat er nog altijd grote onzekerheid over wat er precies van het Iraanse nucleaire programma is overgebleven, mede omdat internationale inspecteurs niet overal volledige toegang hebben.
Daarmee komt een probleem naar voren dat Amerikaanse presidenten vaker hebben onderschat: militaire macht kan een land ernstig verzwakken, maar kan niet automatisch bepalen wat er politiek na een oorlog gebeurt.
Dat geldt in het bijzonder voor Iran. Het land is geen staat die uitsluitend over een leger beschikt dat kan worden vernietigd waarna het conflict voorbij is. Iran beschikt over een omvangrijke bevolking, een lange geschiedenis van nationale onafhankelijkheid, een diepgeworteld staatsapparaat en een strategische positie aan de Perzische Golf. Bovendien heeft Teheran in de afgelopen decennia geleerd hoe het onder zware economische druk kan functioneren. De ervaring met sancties heeft geleid tot alternatieve handelsroutes, financiële netwerken en een grotere afhankelijkheid van landen die bereid zijn zaken met Iran te blijven doen, met China als belangrijkste voorbeeld.
Daarmee komen we bij de Straat van Hormuz, die in de loop van deze oorlog is uitgegroeid tot misschien wel het belangrijkste onderhandelingsinstrument van Iran. Wie naar de oorlog kijkt als uitsluitend een militair conflict tussen Washington en Teheran, mist een groot deel van de werkelijkheid. De Straat van Hormuz is een van de belangrijkste energie routes ter wereld. De verstoring van het scheepvaartverkeer heeft niet alleen gevolgen voor Iran en Amerika, maar ook voor de Golfstaten, Europa en de wereldwijde economie. Voor Amerika is het daarom niet voldoende om militair dominant te zijn. Washington moet uiteindelijk ook een situatie creëren waarin commerciële scheepvaart weer veilig en voorspelbaar door de zeestraat kan varen.
Dat is precies waar Iran over een belangrijk onderhandelingsmiddel beschikt. Teheran hoeft Amerika niet militair te verslaan om de oorlog onaantrekkelijk te maken. Iran hoeft alleen maar voldoende vermogen te behouden om de economische en politieke kosten van het conflict hoog te houden. Daarmee verandert de aard van de oorlog. Het gaat steeds minder om de vraag wie de meeste raketten, vliegtuigen of schepen heeft en steeds meer om de vraag welke partij de langste adem heeft.
Dat is voor Trump een ongemakkelijke positie. Hij heeft zijn politieke reputatie immers juist opgebouwd rond het idee dat Amerika niet langer eindeloze oorlogen moet voeren. Trump presenteerde zichzelf als de president die een einde zou maken aan de buitenlandse avonturen van eerdere Amerikaanse regeringen en die Amerikaanse militaire macht alleen zou gebruiken wanneer daarmee een duidelijk resultaat kon worden bereikt. Een oorlog die zes maanden duurt, waarvan het einde niet in zicht is en die bovendien economische gevolgen begint te hebben voor Amerikaanse consumenten, past slecht bij dat verhaal.
Daar komt de binnenlandse politiek bij. De Amerikaanse midterms van november komen dichterbij en de economische gevolgen van de oorlog worden steeds moeilijker te negeren. De verstoring van de energiemarkt heeft gevolgen voor brandstofprijzen en daarmee voor de Amerikaanse consument. Tegelijkertijd begint de oorlog de Republikeinse partij zelf te verdelen. Niet iedere Republikein is bereid een langdurige militaire confrontatie met Iran te blijven steunen, zeker niet wanneer het oorspronkelijke argument was dat de oorlog snel en beslissend zou zijn.
Voor Trump ontstaat daarmee een dilemma dat hij zelf heeft gecreëerd. Hij kan de oorlog voortzetten om te proberen alsnog een ondubbelzinnige overwinning af te dwingen, maar daarmee vergroot hij het risico dat het conflict nog langer duurt en de economische en politieke kosten verder oplopen. Hij kan de oorlog beëindigen, maar dan moet hij een manier vinden om het einde niet als een nederlaag te laten lijken.
En juist daar ligt waarschijnlijk de sleutel tot een mogelijke uitweg. De meest realistische oplossing is vermoedelijk niet de Iraanse capitulatie waar sommige hardliners in Washington op hebben gehoopt. Evenmin ligt een totale Amerikaanse overwinning voor de hand. Veel waarschijnlijker is een akkoord waarin beide partijen voldoende krijgen om het resultaat thuis als een overwinning te kunnen presenteren.
Dat klinkt misschien als een onbevredigende conclusie, maar internationale conflicten eindigen zelden op het moment dat één partij volledig wordt vernietigd. Veel vaker ontstaat er een compromis wanneer beide partijen tot de conclusie komen dat verdere strijd meer kost dan zij nog kan opleveren. Het probleem is alleen dat geen van beide partijen het compromis als compromis wil verkopen.
Voor Trump is dat nog belangrijker dan voor de meeste andere leiders, omdat hij de oorlog zelf zo sterk heeft verbonden aan zijn persoonlijke imago van kracht en succes.
Een mogelijk akkoord zou daarom verschillende elementen kunnen combineren. Iran zou garanties kunnen geven over zijn nucleaire activiteiten en internationale inspecties opnieuw toelaten. Amerika zou bepaalde sancties kunnen versoepelen. Rond de Straat van Hormuz zouden afspraken kunnen worden gemaakt over vrije scheepvaart en veiligheidscontroles. Beide partijen zouden hun militaire activiteiten geleidelijk kunnen verminderen zonder formeel toe te geven dat zij hun oorspronkelijke doelstellingen niet hebben bereikt.
Trump zou vervolgens kunnen zeggen dat de Amerikaanse militaire campagne Iran heeft gedwongen tot concessies die vóór de oorlog ondenkbaar waren. Iran zou op zijn beurt kunnen verklaren dat het ondanks een maandenlange Amerikaanse bombardementen overeind is gebleven en uiteindelijk Amerika aan de onderhandelingstafel heeft gekregen.
Een andere mogelijkheid is dat Trump kiest voor een langdurige economische strategie en de militaire fase van de oorlog grotendeels beëindigt. In dat scenario zou Washington kunnen beweren dat de Iraanse militaire dreiging voldoende is teruggedrongen en dat de rest van de strijd via sancties moet worden gevoerd. Dat zou Trump in staat stellen zijn troepen minder bloot te stellen aan verdere aanvallen, terwijl de druk op Teheran gehandhaafd blijft.
Maar ook dat is geen snelle oplossing. Iran heeft tientallen jaren ervaring met sancties en heeft laten zien dat het grote economische offers kan verdragen zonder dat het regime noodzakelijkerwijs instort. Bovendien heeft China weinig belang bij een volledige economische implosie van Iran en beschikt het over voldoende mogelijkheden om de Amerikaanse druk gedeeltelijk te omzeilen. Economische oorlog kan Iran verzwakken, maar biedt Washington geen garantie op regime change of een fundamentele politieke omwenteling.
Het gevaarlijkste scenario blijft daarom een nieuwe militaire escalatie. Zolang de oorlog formeel niet is beëindigd, kan één incident voldoende zijn om de diplomatie opnieuw naar de achtergrond te drukken. Een aanval op een Amerikaans schip, een incident rond de Straat van Hormuz, een Iraanse aanval op een Amerikaanse bondgenoot of een nieuwe Israëlische operatie kan een keten van vergeldingsacties veroorzaken waarin beide partijen opnieuw worden meegesleept in een conflict dat zij misschien helemaal niet meer willen.
Dat is het grote risico van een oorlog die langer duurt dan gepland. Niet dat beide partijen noodzakelijkerwijs bewust kiezen voor een grote oorlog, maar dat geen van beide partijen bereid is de eerste stap naar de-escalatie te zetten omdat die stap politiek als zwakte kan worden geïnterpreteerd.
Daarom zou de uiteindelijke uitkomst van deze oorlog wel eens veel minder spectaculair kunnen zijn dan de retoriek waarmee hij begon. Geen Iraanse capitulatie. Geen Amerikaanse terugtrekking. Geen historische handtekening die leidt tot vrede en die het Midden-Oosten voorgoed verandert.
Veel waarschijnlijker is een nieuwe vorm van gewapende vrede waarin Iran zwaar verzwakt maar overeind blijft, Amerika hun militaire aanwezigheid in de regio handhaven, de Straat van Hormuz gedeeltelijk wordt geopend, sancties selectief worden versoepeld en opnieuw worden ingesteld en het nucleaire vraagstuk op de achtergrond blijft bestaan.
Met andere woorden: een conflict dat niet werkelijk wordt opgelost, maar wordt bevroren. Dat zou vanuit militair oogpunt moeilijk als een volledige Amerikaanse overwinning kunnen worden beschouwd. Tegelijkertijd hoeft het geen Amerikaanse nederlaag te zijn. Amerika heeft Iran immers enorme schade toegebracht en kan een akkoord afdwingen dat voor Teheran aanzienlijk ongunstiger is dan de situatie vóór februari.
Maar voor Trump ligt de politieke uitdaging elders. Hij moet het einde van de oorlog verkopen. En daarvoor heeft hij een verhaal nodig waarin de oorlog niet eindigt omdat Amerika niet verder kan of omdat de kosten te hoog zijn geworden, maar omdat Amerika volgens hem precies heeft bereikt wat het wilde bereiken. Dat verhaal zal waarschijnlijk niet één keer worden verteld. Het zal zich, net als de definitie van de overwinning gedurende de oorlog, blijven aanpassen aan de omstandigheden.
Daarmee is de vraag die vandaag voorligt uiteindelijk niet meer of Donald Trump Iran militair kan verslaan. Amerika heeft al laten zien dat zij Iran enorme militaire schade kunnen toebrengen. De vraag is of Trump Iran zover kan krijgen dat het een akkoord accepteert waarmee beide landen hun eigen overwinning kunnen claimen.
Dat is waarschijnlijk de enige echte uitweg. En daar zit een opmerkelijke historische ironie in. De president die de oorlog begon met de belofte dat hij in enkele weken een einde zou maken aan de Iraanse dreiging, staat zes maanden later voor een veel moeilijkere opdracht: een einde maken aan een oorlog die hij volgens zijn eigen woorden al tientallen keren heeft gewonnen.
Misschien wordt uiteindelijk niet de vraag wie de oorlog heeft gewonnen het belangrijkste verhaal, maar hoe Trump erin slaagt een compromis als overwinning te verkopen zonder toe te geven dat een oorlog die enkele weken zou duren uiteindelijk zes maanden heeft geduurd.
Maar de conclusie is dat zes maanden na het begin van de oorlog met Iran Trump gevangen is geraakt in zijn eigen overwinningsretoriek.
