De viering van 250 jaar Amerikaanse onafhankelijkheid zou een nationaal moment van reflectie moeten zijn. Een gelegenheid om stil te staan bij de geschiedenis van Amerika, de viering van de democratie en de plaats van het land in de wereld. In de praktijk dreigt het jubileum echter veel meer te worden dan een historische herdenking. Onder president Donald Trump ontwikkelt de viering zich tot een strijd om de betekenis van Amerika zelf.
Dat begint al bij de organisatie. Jaren geleden richtte het Congres America250 op, een commissie die belast werd met de voorbereiding van de viering van de Amerikaanse onafhankelijkheid in 2026. De bedoeling was een breed gedragen, nationale herdenking die boven de partijpolitiek zou staan. Naast deze commissie heeft het Witte Huis onder Trump echter een eigen initiatief ontwikkeld: Freedom250. Via dit platform organiseert de regering een groot deel van de meest zichtbare evenementen rond het jubileum en presenteert zij een eigen visie op wat de viering moet betekenen.
Daardoor gaat de discussie niet alleen over de festiviteiten zelf, maar ook over de vraag wie het verhaal van Amerika mag vertellen. Critici beschuldigen het Witte Huis ervan een nationale herdenking te gebruiken voor een politieke agenda. Voorstanders zien juist een noodzakelijke correctie op wat zij beschouwen als een jarenlang negatieve benadering van de Amerikaanse geschiedenis.
Die tegenstelling loopt als een rode draad door vrijwel alles wat rond het jubileum wordt georganiseerd. De plannen variëren van grootschalige evenementen in Washington en sportmanifestaties tot nationale gebedsbijeenkomsten en educatieve programma’s voor scholieren. Op zichzelf zijn dergelijke activiteiten niet uitzonderlijk. Wat opvalt is de manier waarop ze worden gepresenteerd. De nadruk ligt sterk op patriottisme, nationale trots, militaire geschiedenis, religie en Amerikaanse uitzonderlijkheid. Het zijn thema’s die al jaren centraal staan binnen de politieke beweging rond Trump.
Dat maakt de viering van 250 jaar onafhankelijkheid niet alleen een historisch jubileum, maar ook een politiek en cultureel strijdtoneel.
Nationale jubilea zijn nooit volledig neutraal. Elk land gebruikt herdenkingen om een verhaal over zichzelf te vertellen. Welke gebeurtenissen worden benadrukt, welke personen centraal staan en welke lessen uit het verleden worden getrokken, zegt vaak evenveel over het heden als over de geschiedenis zelf.
In Amerika is dat spanningsveld bijzonder zichtbaar geworden. Hoewel vrijwel iedereen het belang van de onafhankelijkheid erkent, bestaat er steeds minder overeenstemming over wat die geschiedenis precies betekent. Voor veel progressieven is de Amerikaanse geschiedenis een proces van voortdurende uitbreiding van vrijheid en gelijke rechten. Vanuit dat perspectief was de onafhankelijkheid van 1776 een belangrijk beginpunt, maar niet het eindpunt. De oorspronkelijke republiek kende immers slavernij, beperkte politieke rechten en uitsluiting van grote delen van de bevolking. De kracht van Amerika ligt volgens deze visie juist in het vermogen om die tekortkomingen stap voor stap te corrigeren.
Conservatieven leggen doorgaans andere accenten. Zij zien de Amerikaanse geschiedenis vooral als een uitzonderlijk succesverhaal dat de afgelopen decennia te vaak is gereduceerd tot een opsomming van fouten en misstanden. Volgens hen zijn scholen, universiteiten, media en culturele instellingen steeds meer nadruk gaan leggen op slavernij, racisme en historische ongelijkheid, waardoor nationale trots naar de achtergrond is verdwenen. In hun ogen biedt het 250-jarig jubileum een kans om het evenwicht te herstellen.
Deze tegenstelling is niet nieuw. Tijdens zijn eerste termijn verzette Trump zich al tegen initiatieven zoals het 1619 Project, dat de geschiedenis van slavernij en haar invloed op de Amerikaanse samenleving centraal stelde. Als reactie lanceerde hij de 1776 Commission, die een patriottischer interpretatie van de nationale geschiedenis moest bevorderen. Hoewel die commissie na zijn vertrek uit het Witte Huis verdween, bleef de onderliggende gedachte bestaan. De viering van 250 jaar onafhankelijkheid biedt nu een veel groter podium om die visie uit te dragen.
Hierdoor verschuift de discussie van geschiedenis naar politiek. Het verleden wordt niet alleen herdacht, maar ook ingezet om een bepaalde visie op het heden te ondersteunen. Geschiedenis wordt daarmee een instrument in een bredere strijd over nationale identiteit.
Dat is ook zichtbaar in de nauwe aansluiting tussen de viering en de thema’s die de afgelopen jaren binnen MAGA en America First centraal hebben gestaan. Het gaat niet uitsluitend om het vieren van een historische gebeurtenis, maar ook om een bepaalde interpretatie van wat Amerika was, wat Amerika is en wat Amerika opnieuw zou moeten worden.
Binnen die visie wordt patriottisme vaak verbonden met het idee dat Amerika haar oorspronkelijke koers is kwijtgeraakt. Globalisering, immigratie, culturele veranderingen en de groei van federale instellingen worden door veel aanhangers gezien als ontwikkelingen die het land hebben verwijderd van zijn historische fundamenten. Wanneer Trump spreekt over het herstellen van Amerika, verwijst hij daarom niet alleen naar economische of politieke hervormingen, maar ook naar een vermeende terugkeer naar de oorspronkelijke nationale identiteit.
De religieuze dimensie speelt daarin eveneens een belangrijke rol. In toespraken en verklaringen benadrukt Trump regelmatig de joods-christelijke wortels van Amerika. Die benadering sluit aan bij een bredere stroming die vaak wordt aangeduid als christelijk nationalisme. Het uitgangspunt daarvan is niet noodzakelijk dat religieuze leiders de overheid moeten besturen, maar wel dat het christendom een fundamentele plaats inneemt in de Amerikaanse identiteit en dat die positie actief beschermd moet worden.
De aanwezigheid van religieuze symboliek en nationale gebedsbijeenkomsten tijdens de jubileumviering raakt daardoor direct aan een van de meest fundamentele discussies binnen de Amerikaanse politiek: is Amerika in de eerste plaats een seculiere republiek of een natie met een expliciet christelijke basis?
Ook de parallellen met Project 2025 zijn moeilijk te negeren. Hoewel het beleidsprogramma formeel geen onderdeel is van de viering, delen beide dezelfde onderliggende gedachte. Zowel in Project 2025 als in de retoriek rond het jubileum keert steeds hetzelfde thema terug: herstel. Er wordt gesproken over een terugkeer naar oorspronkelijke principes, het terugdringen van bureaucratische macht en het herwinnen van nationale samenhang. De geschiedenis fungeert daarbij niet alleen als herinnering, maar ook als legitimatie voor politieke verandering in het heden.
Daarom is de vergelijking met het bicentennial jaar van 1976 zo interessant. Ook toen verkeerde Amerika in een moeilijke periode. De Vietnamoorlog had diepe sporen achtergelaten, het Watergate-schandaal had het vertrouwen in de politiek beschadigd en de economie kende aanzienlijke problemen. Toch werd de viering van tweehonderd jaar onafhankelijkheid grotendeels gezien als een moment van nationale eenheid. Republikeinen en Democraten verschilden van mening over beleid, maar niet over het karakter van de viering zelf.
In 2026 ligt dat anders. Amerika is sterker gepolariseerd dan in lange tijd het geval is geweest. Vrijwel ieder maatschappelijk onderwerp wordt bekeken door een politieke lens. Geschiedenis vormt daarop geen uitzondering. Daardoor kijken miljoenen Amerikanen naar hetzelfde jubileum, maar zien zij iets fundamenteel anders.
Voor sommigen is het een viering van de democratische traditie die het land heeft gevormd. Voor anderen is het een kans om een verloren nationale identiteit terug te winnen. Die twee interpretaties bestaan naast elkaar, maar raken steeds verder van elkaar verwijderd.
Daarom draait de discussie uiteindelijk niet om de vraag of Trump een prominente rol speelt tijdens de viering. Dat is vanzelfsprekend voor een zittende president. De werkelijke vraag is welk verhaal over Amerika centraal komt te staan. Wie bepaalt hoe de geschiedenis wordt herinnerd? Welke waarden worden gepresenteerd als typisch Amerikaans? En welke lessen moeten toekomstige generaties uit het verleden trekken?
De viering van 250 jaar Amerikaanse onafhankelijkheid gaat over veel meer dan 1776. Het is uitgegroeid tot een debat over identiteit, macht en nationale richting. Misschien is dat wel het meest opvallende kenmerk van dit jubileum. Niet dat Amerikanen van mening verschillen over het bestaan van hun land, maar dat zij steeds minder overeenstemming hebben over wat dat land precies is en wat het zou moeten zijn.
Ook heeft de bijna 80-jarige president het over de Reflecting pool bij het Lincoln Memorial. Trump heeft ervoor gezorgd dat het bassin wordt opgeknapt. Het gaat de Amerikaanse belastingbetaler miljoenen dollars kosten. Trump opperde ook dat de fontein bij het Tweede Wereldoorlog monument, dat ligt tussen het Lincoln Memorial en het Washington monument, ook wel een opknapbeurt kan gebruiken. Zo is Trump vooral bezig met het opknappen van monumenten en fonteinen. Alles moet er piekfijn uitzien als Amerika haar 250ste verjaardag viert. Dat is natuurlijk mooi en fijn voor alle Amerikanen en toeristen, maar om het daar steeds over te hebben en de dagelijkse problemen van Amerikanen te negeren zorgt toch voor enig gemopper.
Trump is een president die vooral zichzelf dient. Hij zit in het Witte Huis voor zichzelf. Hij wil met de balzaal iets neerzetten wat nog decennialang aan hem zal herinneren. Hij liet daarom ook zijn naam plaatsen op het Kennedy Center. Maar een rechter besloot dat hij dat niet zomaar kan doen, omdat het Congres daarover gaat, Dus wordt de zijn naam weer verwijderd, wat ook weer door de belastingbetaler wordt betaald.
Trump wil ook in het kader van de 250ste verjaardag een dollarbiljet van 250 dollar laten drukken zijn beeltenis erop. Ook dat mag niet, omdat alleen overleden personen op biljetten komen, zoals George Washington op het 1 dollar biljet en Abraham Lincoln op het 5 dollar biljet. Zo draait de 250ste verjaardag van Amerika vooral om Trump en niet om Amerika.
Maar de kans is groot dat Trump de geschiedenis ingaat als een president die een oorlog tegen Iran begon en uiteindelijk met dezelfde deal zal eindigen die Barack Obama in 2015 sloot. Hij gaat de geschiedenis in als president die de internationale orde aan zijn laars lapt en vooral bezig is zichzelf te verrijken en zo zijn middelvinger opsteekt naar de Amerikaanse burger. En van de gouden eeuw komt tot nu toe ook maar bar weinig van terecht.
Geld is een belangrijk onderdeel van een succesvolle campagne, Zonder voldoende geld is een verkiezingscampagne gedoemd te mislukken. Newsom heeft één van de grootste donornetwerken binnen de Democratische Partij, inclusief Silicon Valley en Hollywood.
In 2020 ging Elizabeth Warren in alle peilingen aan kop, de kiezer koos voor Joe Biden. In 2008 was Hillary Clinton de gedroomde kandidaat (en anders wel John Edwards, Joe Biden of Bill Richardson), totdat Barack Obama ten tonele verscheen.
Het belangrijkste voor kiezers is altijd de eigen portemonnee, oftewel de economie. Dat moet het beginpunt zijn. Niet als abstract thema, maar als dagelijkse ervaring. Huur, zorgkosten, boodschappen, energie. Daar vormt zich het oordeel over de politieke plannen. Juist daar blijft de Democratische boodschap vaak hangen in systemen en regelingen, terwijl kiezers vooral de uitkomst willen weten en voelen.
Minstens zo belangrijk is hoe de boodschap wordt verteld. De Democratische boodschap verandert te vaak van toon en formulering. Accenten verschuiven, prioriteiten wisselen. Dat maakt het moeilijk om een herkenbaar verhaal op te bouwen. Een beperkt aantal kernpunten, consequent herhaald, is effectiever dan een steeds wisselende agenda.